|
De globale
benadering om alles wat op een garage/schuurtje lijkt (lager dan 3 m) te
benoemen tot erf geeft rechtsongelijkheid.
Op deze regel wordt echter soms een uitzondering gemaakt, en is de z.g.n.
uitbouw wel onderdeel van de woning.
Deze simpele benadering vereist dat alles geverifieerd wordt met de
werkelijkheid.
Bij dezelfde huizen in verschillende lanen zijn er verschillende
interpretaties van deze benadering. Een veel later aangebouwd bouwsel is
terecht woning, maar bij een ander is een origineel gebouwde garage/slaapkamer
ten onrechte ineens erf.
De manier waarop artikel 11 gebieden zijn omschreven geven
rechtsonzekerheid.
Alles mag nog veranderen (bebouwingsdichtheid, bouwhoogte, bouwvolume)
terwijl de norm al hoger is dan de omgeving wenselijk acht.
De ervaring leert dat deze normen nooit minder worden. Er is bovendien
volop juris-prudentie waarin projectontwikkelaars hun zin krijgen als
later die norm door de ge-meente verlaagd wordt.
Daarnaast heeft de raad het laatste woord, maar de vraag is of ze wel
voldoende en tijdig de informatie krijgt die nodig is om weloverwogen te
beslissen.
De ervaring leert ook hier: dus niet.
Bovendien is er altijd een mooi verhaal, extra kosten, etc.. en dus maar
goedkeuren.
Rechtsonzekerheid is er ook bij zaken als: In principe wordt er geen groen
geofferd voor baksteen.
Dit in principe is niets anders dan het is (allemaal) onderhandelbaar.
De doorvertaling van duurzaamheid naar het bestemmingsplan, voor zover
relevant, ontbreekt.
Cultuurhistorische bescherming ontbreekt volledig.
Een monumenten verordening helpt niet zolang die niet zijn weerslag heeft
in het bestemmingsplan. Een cultuurhistorisch raster geeft die
doorvertaling.
Pas dan is er een echte bescherming tegen slopen en aantasting.
Het gaat uiteindelijk om het behoud van de leefbaarheid voor de
Bennebroekers
|